Belgische Vereniging van Antroposofisch georiënteerde Artsen VZW
Association Belge des Médecins d'orientation Anthroposophique ASBL

Antroposofische geneeskunde - Filosofisch

In België hoort de antroposofische geneeskunde nog bij de grote onbekenden, daar waar zij in bijvoorbeeld Nederland, Duitsland, Zwitserland, Oostenrijk en Italië een grote verspreiding en waardering kent, en verder over de hele wereld verspreid is. In Europa wordt zij in de noordelijke landen meer geapprecieerd dan in de zuidelijke; dit heeft vnl. te maken met het feit dat in noordelijke landen de eerbied van de overheid voor de individuele vrijheid en zelfbeschikking groter is dan in de zuidelijke staten.

Dit beklemtonen van de individualiteit is een uiterst belangrijk aspect van de antroposofie, die er immers van uit gaat dat de mens méér is dan een klomp eiwit, méér dan een dier: de antroposofie vertegenwoordigt een personalistisch-geestelijk mensbeeld (1) en een monistisch spiritueel-realistisch wereldbeeld. Monistisch omdat voor de kennende mens de primaire dualiteit van waarneming en begrip (de gescheiden wereld stof / geest; object / subject; etc.) in de 'ken-daad' overwonnen wordt, waardoor de oorspronkelijke samenhang in het kennende bewustzijn van de mens wordt hersteld. Realistisch omdat er sprake is van een werkelijkheidsgehalte van ideeën (begrippen) die in de wereld werkzaam zijn c.q. in verschijning treden. Spiritueel omdat de ideeën die in de wereld werkzaam zijn van bovenzinnelijke aard zijn (2).

ONTSTAAN

De antroposofie (3) als mens- en wereldbeeld ontstond door het werk van de Oostenrijkse filosoof en esotericus Rudolf Steiner (1861-1925) (4), die zich na zijn studies aan de Technische School in Wenen en aan de Universiteit van Rostock onder meer toelegde op het filosofisch funderen van zijn gedachten en ervaringen. In 'Wahrheit und Wissenschaft' (1892) bespreekt hij de kennistheorie van o.m. Kant en Fichte. In 1891 was hij op de dissertatie die aan dit boek ten grondslag lag gepromoveerd tot Doctor in de filosofie. Zijn gedachten over de relatie tussen kennis en werkelijkheid schrijft hij neer in 'Die Philosophie der Freiheit' (1864), zijn filosofisch hoofdwerk dat tegelijk het fundament legt van zijn latere antroposofische geesteswetenschap. Uiterst belangrijk voor zijn filosofische ontwikkeling is zijn werk aan de uitgave van Goethe's volledige werken; in zijn boek 'Grundlinien einer Erkenntnistheorie der Goetheschen Weltanschauung' voorziet Steiner het natuurwetenschappelijke werk van Goethe van een filosofische onderbouwing.

Met Steiners voorzitterschap van de Theosofische Vereniging in Duitsland (1902-1913) neemt zijn voordrachtactiviteit immens toe. Alleen al in Berlijn houdt hij meer dan 1000 voordrachten  (in totaal zullen het er een 6000-tal worden; de totale uitgave van zijn werken en voordrachten omvat méér dan 80.000 bladzijden). In de periode tot 1907 legt hij de grondslagen voor wat hij zelf (in onderscheid met de theosofie, waar hij zich tenslotte van verwijdert) de 'antroposofie' noemt - 'wijsheid omtrent de mens'. Tot 1914 neemt dan zijn christologisch werk een belangrijke plaats in en vanaf 1912 gaat hij in op de vragen van beroepsmensen, m.n. op de vraag 'Hoe kunnen wij de antroposofie in ons eigen vakgebied vruchtbaar maken'. Op deze wijze ontstaat in de loop der jaren vooreerst de samenwerking met kunstenaars en vanaf 1918 die met andere beroepsgroepen: landbouwers (biologisch-dynamische landbouw), politici, theologen en priesters, leerkrachten (steinerpedagogie), pedagogen, artsen, enz.

Voor de geneeskunde is zijn samenwerking met de Nederlandse arts Ita Wegman van belang. Samen met haar schrijft hij de essentie van de antroposofisch geïnspireerde geneeskunde op heel gecomprimeerde wijze neer in 'Grundlegendes für eine Erweiterung der Heilkunst nach geisteswissenschaftlichen Erkenntnissen' (1925) ('Grondslagen voor een vernieuwing van de geneeskunde'). Ondertussen had hij reeds meerdere voordrachtencycli en cursussen aan de geneeskunde gewijd, en waren een aantal artsen vanuit zijn ideeën gaan werken. In 1921 stichtte Ita Wegman het eerste antroposofische zieken-huis, in Arlesheim bij Basel (Zwitserland).

ANTROPOSOFIE  en de grenzen van het kennen

De antroposofie is een geesteswetenschap, d.w.z. een wetenschap die naast de fysisch-chemische wetmatigheden, zoals die volgens het heersende natuurwetenschappelijk paradigma beschreven worden, in mens en wereld de niet-fysiek waarneembare, geestelijke dimensie ernstig neemt en bestudeert. De conventionele natuurwetenschappelijke methode wordt niet genegeerd, maar uitgebreid met mogelijkheden die inherent zijn aan de menselijke geest.

Rudolf Steiner is als filosoof in de wetenschappelijke wereld vrij onbekend gebleven. Nochtans heeft hij enerzijds het kenproces een empirisch fundament gegeven en anderzijds de natuurwetenschappelijke methode van Goethe filosofisch-wetenschappelijk onderbouwd. Het zijn deze twee pijlers die ook in de actuele beoefening van de antroposofische geneeskunde nog steeds van het grootste belang zijn.

A. Goethe en de fenomenologie

Johan Wolfgang von Goethe (1749-1832) was behalve een bekend schrijver, dichter en politicus ook een groot natuuronderzoeker. Hij was langere tijd directeur en docent aan het anatomisch instituut te Jena en maakte uitgebreide botanische, zoölogische, geologische en meteorologische studies. Bekendheid op wetenschappelijk gebied verwierf Goethe o.a. door zijn ontdekking van het os intermaxillare (tussenkaakbeentje) bij de mens, door zijn botanische studies ('Die Metamorphosen der Pflanzen') en door zijn 'Entwurf einer Farbenlehre'.

Goethe hechtte groot belang aan de zintuiglijke waarneming, aan het zoeken naar de samenhang/totaliteit en aan de kunstzinnige omgang met de fenomenen. We vinden deze elementen duidelijk terug als we kijken naar de drie kernfasen die in zijn methode van wetenschappelijk werken te ontdekken zijn:

1. De exacte zintuiglijke fantasie

Het na te streven ideaal bij deze eerste stap is het zodanig scholen van het waarnemingsproces, dat datgene wat de waarnemer als herinneringsbeeld met zich draagt van hetgeen hij waargenomen heeft, exact overeenkomt met de waarnemingen van het object.

2. Resignatie

Wanneer de waarnemer zich op bovengenoemde wijze regelmatig met een zelfde object bezighoudt, merkt hij dat alles wat men al weet over het object storend werkt t.a.v. het zuivere waarnemen. Kortom: wat in deze fase moet overwonnen worden, zijn de (voor-)oordelen over het object; resignatie t.a.v. de (voor-)oordelen leidt er toe dat men steeds intensiever leert 'nabootsen' (d.w.z. waarnemen en herinneren).

3. Gebarentaal of gestiek

Nadat het waar te nemen object herhaaldelijk zo exact is waargenomen dat de herinnering overeenkomt met de waarneming, en nadat de waarnemer zich al nabootsend in dit beschikbare herinneringsmateriaal heeft ingeleefd, blijkt hieruit iets af te lezen te zijn, wat Goethe aanduidde met de termen 'gebarentaal' of 'gestiek'. Op deze wijze ging Goethe met zijn waarnemingen aan de natuur om en op deze wijze vond hij op basis van zijn plantenstudies dat er sprake is van 'oergebaren' in de groeiwijze en de morfologische veranderingen in het plantenrijk. Zo ontwikkelde Goethe de gedachte dat er sprake moet zijn van een 'oerplant' die ten grondslag ligt aan het gehele plantenrijk. Deze  'oerplant' moet niet opgevat worden als een statisch iets, maar als een plastisch wezen, waar elke plant en plantensoort een vorm van verschijning van is.

B. Steiner

'Een kentheorie moet een wetenschappelijk onderzoek zijn naar datgene wat alle overige wetenschappen ongetoetst voorwaardelijk stellen: het kennen zelf', aldus Steiner.

Dit betekent: voordat ik bewust het kennen kan 'toepassen', d.w.z. tot kennis kom van iets dat ik onderzoek, moet ik eerst weten hoe ik tot kennen kom ofwel hoe 'het kennen' of het kenproces zelf zich voltrekt. In een kentheorie moet dus eerst het kennen zelf begrepen worden, voordat iets beoordeeld kan worden. Een oordeel is namelijk een resultaat van de activiteit die in het kennen zelf wordt voltrokken. Daarom hoort het oordeel niet aan het begin van een kentheorie, maar aan het eind van een kentheorie thuis.

In Steiners kentheorie verschijnt de 'idee' op twee manieren. Enerzijds komt het begrip tot verschijning in een voorwerp van de fysiek zintuiglijk waarneembare wereld. Anderzijds verschijnt het begrip in 'reine vorm' (lees: vrij van waarnemingselementen) in het denkende bewustzijn van de mens. Door nu de waarnemingen te verbinden met de juiste begrippen, komt de mens tot kennis. En met het juiste begrip wordt hier bedoeld dat begrip dat oorspronkelijk met het waarnemingsobject verbonden was.

Buiten deze twee ken-elementen is er niets, dus kan er geen sprake van een grens voor het kennen zijn. Hierbij moet wel duidelijk worden gesteld dat hierbij onder 'waarneming' niet alleen fysiek-zintuiglijke waarneming wordt bedoeld, maar dat het begrip 'waarneming' moet verruimd worden met ook psychische belevenissen en geestelijke waarnemingen.

Na de periode in zijn leven waarin hij zijn filosofische en kentheoretische werken schreef, kwam Rudolf Steiner met 'zijn' antroposofie. In voordrachten en boeken beschreef hij enerzijds de resultaten van zijn geesteswetenschappelijke onderzoek in de bovenzintuiglijke wereld. Anderzijds beschreef hij de ontwikkelings- of scholingsweg die elk individu kan gaan, waarmee men zichzelf op een veilige manier zodanig kan ontwikkelen dat vermogens verworven worden waarmee bovenzinnelijke waarnemingen verricht kunnen worden.

In 'Grenzen der Naturerkenntnis und ihre Überwindung' (GA 322) beschrijft Steiner een specifieke vorm van deze ontwikkelingsweg, specifiek in de zin dat deze toegesneden is op natuurwetenschappers. In het boek wordt aangegeven dat er drie wegen zijn die (na jarenlang oefenen) kunnen leiden tot bovenzinnelijke waarnemingen. De eerste weg betreft de omgang met het denken. Op deze weg is de eerste stap het denkvermogen zo te versterken, dat dit in staat is de 'reine begrippen en ideeën' te denken.

De tweede weg betreft de omgang met het waarnemen. Op deze weg is de eerste stap om exact te leren waarnemen (vgl. Goethe).

De derde weg is de weg die de beide voorgaande inzichtsgebieden met elkaar verbindt.

De eerste weg resulteert er in dat door een andere, meer gerichte omgang met het denken de grens voor het bewustzijn verdwijnt. De tweede weg leidt er toe dat door een andere wijze van omgaan met het waarnemen, de grens van de materie (die fysiek zintuiglijk waarneembaar is) verdwijnt. Met het verdwijnen van deze grenzen komt de mens tot waarnemen in de bovenzinnelijke werelden en vervalt ook de 'scholastische kennisgrens', zoals beschreven in het boek 'Die Philosophie des Thomas von Aquin' (1920).

C. Betekenis voor de antroposofische geneeskunde

Het antroposofisch mens- en wereldbeeld beschrijft de mens als een fysiek-psychisch-geestelijk wezen (individuele entelechie), wiens leven een zinvolle betekenis heeft: in de biografie van de mens uit zich een ontwikkelingsweg, die door het individu zelf actief in de hand kan worden genomen. Daarbij plaatst de mens zich zowel in een relatie met het eigen lichaam, als in een sociale relatie met de medemens en in een relatie tot de wereld en de kosmos. Hij draagt hier ook een verantwoordelijkheid voor. Centraal in dit alles staat de zelf te ontwikkelen moraliteit, in volkomen geestelijke vrijheid, zonder enige vorm van dogmatiek.

Voor de antroposofisch georiënteerde arts houdt dit, naast zijn reguliere opleiding, een scholingsweg in op een dubbel spoor: enerzijds een oefenweg in de fenomenologie van het menselijk organisme en van de natuur, anderzijds een meditatieve denkscholing om de realiteit van het geestelijke te leren kennen.

HET MENSBEELD VAN DE ANTROPOSOFIE

Wanneer de mens wordt opgevat als een geestelijk wezen dat zich heeft belichaamd, moet de vraag beantwoord worden met behulp van welke begrippen de cartesiaanse kloof tussen geest en stof gedicht kan worden. Het antwoord op deze vraag vormt de grondslag van de pathologie, de diagnostiek en de therapie in de antroposofische geneeskunde. Voornamelijk twee begrippenkaders worden gehanteerd:

- het vierledig mensbeeld: toont hoe geest en stof een verbinding kunnen aangaan;

- het drieledig mensbeeld: toont hoe de geest zich op drie verschillende wijzen in de stof kan uitdrukken.

I. Het vierledig mensbeeld

In het regulier-wetenschappelijk mensbeeld is de mens een lichaam, en heeft de mens een geest;  het fysiek lichaam, i.c. de hersencellen, 'produceert' bewustzijn, en bewustzijn en geest zijn hetzelfde. Dit mensbeeld is het vanzelfsprekende gevolg van de darwinistische evolutietheorie. Anderzijds willen we als mens ook verantwoordelijk zijn voor onze eigen daden, en dat is moeilijk te aanvaarden en te realiseren wanneer het de lichamelijke processen zijn die het bewustzijn bepalen. In wezen is het reguliere mensbeeld dus in tegenspraak zowel met onze individuele ervaring als zelfbewuste wezens als met onze humanistische idealen.

Vanuit antroposofisch gezichtspunt is de mens een geest, en heeft hij een lichaam. De vraag is dan: hoe 'incarneert' de geest zich in dit lichaam? Het is moeilijk voorstelbaar dat de geest zich in de dode materie van een steen zou manifesteren. Er is minstens een dynamische (dus: organisch levende) substantie nodig. Deze vinden we terug bij de planten, maar ook daar vinden we nog geen bewustzijn of zelfbewustzijn. Een vorm van bewustzijn is er wél in de dierenwereld, maar geen zelfbewustzijn zoals we dat als mens ervaren. Alleen bij de mens is de stof zodanig gemetamorfoseerd dat ze zelfbewustzijn kan manifesteren.

De natuurrijken (planten- en dierenwereld, de mens) tonen ons een beeld hoe de stof in achtereenvolgende stappen door leven, bewustzijn en zelfbewustzijn gemetamorfoseerd wordt. Ook in het menselijk lichaam vinden we de vier genoemde stappen terug.

a) Als mens hebben we een fysiek lichaam, zoals het bepaald wordt door de wetten van de dode natuur: de fysica en de chemie (zwaartekracht, mechanica, chemische reacties, enz.) en gekend is door o.a. de anatomie.

b) Een essentiële en belangrijke stap, die in de reguliere wetenschap in wezen nog onbekend (want onbestudeerd) is, bestaat erin in te zien dat de levende natuur moet opgevat worden als dat gebied waar de natuurkrachten van de dode natuur geen vrij spel meer hebben. Voortgaande op de duizenden scheikundige processen in ons lichaam, zou dit lichaam in feite op korte tijd uiteen moeten vallen. De reguliere wetenschap vat het spontaan gedurende een aantal jaren (bij de mens: een goede 70 jaar) in leven blijven op als een cybernetisch probleem van onderlinge regelsystemen; maar zij geeft geen antwoord op de daarbij ontstaande paradox: de stof, die als eigenschap zelf de entropie in zich draagt, zou zelf voor zijn complexere, in wezen geestelijke samenhang moeten zorgen?

De antroposofische geesteswetenschap daarentegen beschrijft een principe dat van 'kosmische' oorsprong is: het 'levenslichaam'. Dit levenslichaam is op zich niet zichtbaar, het kan zintuiglijk alleen bestudeerd worden aan zijn resultaat, nl. de levende stof. En met name aan de plant zijn de eigen wetmatigheden van dit levenslichaam het best te bestuderen. Deze wetmatigheden zijn: vorm geven, vormverandering in de tijd, groei, voortplanting, vitaliteit, opbouw, openheid voor kosmische invloeden. Voor al deze processen heeft het lichaam water nodig: de meer dan 70% water in ons lichaam vormen samen het “waterorganisme'.

c) In de dierenwereld vinden we een mate van bewustzijn en tegelijk (want ermee samenhangend) vrije, autonome beweeglijkheid; immers, beweging gaat ergens heen of ergens vandaan, en veronderstelt voorkeur of afkeur, sympathie of antipathie, lust of onlust (en dit zijn manifestaties van bewustzijn). Ook het bewustzijn is geen product van de stof. Het gaat in de dierenwereld om een geheel nieuw gegeven, dat evolutionair gezien ook helemaal nieuw begint bij de meest primitieve vormen van dierlijk leven. Voor de reguliere wetenschap zijn bewustzijnskenmerken zoals intelligentie en gedrag genetisch bepaald; voor de antroposofie zijn de genen slechts de noodzakelijke (en noodzakelijkerwijs ingewikkelde) substantie voor het zich kunnen manifesteren van de geest in de stoffelijke wereld.

Een ander fenomeen waarin het dier van de plant verschilt is dat van de gasuitwisseling of ademhaling: in tegenstelling tot de plant gaat het dier zuurstof verbruiken en koolzuurdioxide produceren, en daartoe ook de geëigende organen (o.m. de longen) internaliseren. De dierenwereld 'bezielt' zich, en internaliseert daarbij de lucht. Het onzichtbare element dat deze bezieling draagt wordt 'zielelichaam' genoemd; het manifesteert zich via het 'luchtorganisme' in de mens. Het zielelichaam heeft als eigenschappen of vermogens: bewustzijn (incl. pijngewaarwording), driftleven, beweging, holtevorming, afbraak, uitscheiding, seksualiteit, dood.

d) Zo rond zijn 2 tot 3 jaar gaat een mens ineens 'Ik' zeggen, en vaak nog 'Ik wil'. Voorwaarde hiertoe is zelfwaarneming en dus zelfbewustzijn. Maar wat houdt dit Ik dan in? Uit zelfreflectie kunnen we zeggen dat alles wat door ons zelf stuurbaar en bestuurbaar is (persoonlijkheidskenmerken, karaktertrekken, temperament, geheugen,...), per definitie géén 'Ik' is. Wat blijft dan nog over? Het sturen zelf! - en dit is een functie van de WIL, die zich manifesteert in alle daden die we in ons leven stellen en uiteindelijk als een 'rode draad' in onze individuele levensloop, onze biografie zichtbaar worden. Onze wil is de meest directe manifestatie van onze geest, die als 'Ik' ons lichaam bewoont.

Het onderscheid tussen mens en dier toont zich in de eerste plaats in onze biografie, maar voor een goed verstaander ook in de bouw van ons lichaam. De mens is bijvoorbeeld de enige werkelijk opgerichte gestalte; deze gestalte geeft ons bovendien de handen vrij, en levert ons de distantie tot de wereld op die nodig is om zelfbewustzijn te ontwikkelen. Anderzijds is de mens niet gespecialiseerd in zijn lichaamsbouw zoals het dier, dat vanaf zijn geboorte een lichamelijke specialisatie kent (de spin om te spinnen, de mol om te graven); voor de mens staan alle mogelijke omgangsvormen met de wereld nog open. Het menselijke Ik dwingt de vormkracht van het levenslichaam (plant) en het driftleven van het zielelichaam (dier) tot terughouding (10). Vandaar dat, waar het dier bij de geslachtsrijpheid meteen volwassen is, dit bij de mens niet het geval is: de menselijke geest werkt veel langer aan zijn 'incarnatie' dan de dierlijke ziel, en behoudt bovendien levenslang zijn creatieve vermogens.

e) In het antroposofische mensbeeld wordt een eeuwenoude kennis (Hippocrates) herontdekt en verdiept - een gegeven dat hier verder schematisch weergegeven wordt:

  • warmte          IK                        mens
  • lucht             zielelichaam           dier
  • water            levenslichaam         plant
  • aarde            fysiek lichaam         mineraal

Ons Ik leeft in de warmte: wanneer onze wil vurig ontvlamt, wanneer we ergens warm voor lopen, wanneer we enthousiast worden... krijgen we het warm. De warmte is het enige der elementen dat het andere kan doordringen. De warmte is de brug tussen de zichtbare wereld van de fysieke verschijnselen en de onzichtbare wereld van de dynamische, kwalitatieve processen.

De warmte is de kwaliteit waarmee het Ik het zielelichaam kan doordringen en beheersen, door het ingrijpen in het luchtorganisme. Ik en zielelichaam samen grijpen via warmte en lucht in op het waterorganisme en doordringen het levenslichaam. Alle drie tezamen doordringen ze het fysieke lichaam, ons 'aardeorganisme'.

f) Gezondheid en ziekte hangen af van het al dan niet harmonisch samengaan van de genoemde 'wezensdelen'. Door een nauwkeurig waarnemen van de fysiek zichtbare fenomenen die het resultaat zijn van dit samengaan, kan een diagnose gesteld worden en aan een behandeling richting gegeven worden. Zowel bij diagnose als bij therapie worden enerzijds de gehele mens als de verschillende lichaamsorganen betrokken.

 

4ledigemens

II. Het drieledig mensbeeld

Met het drieledig mensbeeld ontdekte Steiner a.h.w. een 'openbaar geheim' (Goethe), nl. dat het menselijk organisme georganiseerd is tussen twee polair tegenover elkaar staande gebieden, met ertussen een bemiddelend middengebied.

Aan de ene kant is er de 'koppool': star skelet, afgeplatte beenderen, open zintuigen, koel, rond, op sterven na dood,... ; aan de andere kant de 'stofwisselings-ledematenpool': beweeglijk skelet, pijpbeenderen, afgesloten van de buitenwereld, warm, straalvormig en uitstralend, zeer vitaal, ... . Via de zintuigen nemen we de buitenwereld naar binnen, via de ledematen handelen we in de buitenwereld. Het geheugen verbindt ons met het verleden, in onze daden scheppen we telkens nieuwe toekomst. Op deze manier is een lange lijst van tegenstellingen op te noemen. Tussen beide bevindt zich de borstkas met hart en longen: bufferend enerzijds, bemiddelend anderzijds, in een dynamiek waarvan de essentie in één woord te noemen is: RITME. De introductie, in het westerse bewustzijn, van deze drieledigheid, met een 'centrale' ritmerende functie middenin een polariteit, betekent een essentiële verdieping van de in het Oosten bekende polariteitsleer (Yin - Yang).

Essentieel voor Steiners visie is dan de gedachte dat in elk van deze drie gebieden de vier wezensdelen op een andere manier met elkaar verbonden zijn. In de bijna dode koppool  heeft de fysieke substantie zich zo ver van de andere wezensdelen losgemaakt, dat ze bijna op het minerale ('aarde-') niveau is teruggevallen. De drie hogere wezensdelen nemen er a.h.w. distantie van, en kunnen de bijna dode fysieke hersenen gebruiken als 'spiegel': op deze manier kan de activiteit van deze 3 hogere wezensdelen zich manifesteren als denkend bewustzijn en zelfbewustzijn. In de zeer vitale stofwisselingspool daarentegen hebben de vier wezensdelen zich zó intens met elkaar verbonden dat geen distantie mogelijk is, en dus ook geen bewustzijn. Daarom zijn we er ons ook niet van bewust dat in deze stofwisseling onze (onbewuste) wil leeft.

Vermits in Steiners visie het niet de stof is die het bewustzijn produceert, maar het wel degelijk de geest is die van de stof gebruik maakt en dit bovendien op verschillende manieren kan doen (hetzij op distantie, hetzij in sterke verbinding), kan hij in tegenstelling met de reguliere natuurwetenschappelijke gedachte

 

het denken    verbinden met                 de koppool (hersenen),

het voelen     met                               het ritmische middengebied.

en de wil       met                               de stofwisseling,

 

Voor de mens die overdag wakker is, geldt dan:

koppool:               wakker / bewust denken,

middengebied:       dromend / halfbewust voelen,

stofwisseling:        slapend / onbewust willen.

Verder hebben we allen de ervaring dat het wakkere bewustzijn moe maakt, en dat we de slaap nodig hebben om te recupereren, te revitaliseren. In de koppool werken vitaliteitsverminderende 'afbraaktendenzen', in de stofwisseling werken de vitale 'opbouwtendenzen'. Gezondheid en ziekte hebben te maken met het evenwicht tussen deze twee tendenzen. Ontstekingsziekten (type: kinderziekten) tonen een overmaat aan vitaliteit; degeneratieziekten (type: artrose, arteriosclerose) een overmaat aan afbraaktendenzen. Ontstekingsziekten zijn typisch voor de kinder- en jeugdjaren, degeneratieziekten voor de oudere mens.

 

3ledige-mens

DIAGNOSTIEK EN THERAPIE in de antroposofische geneeskunde

In de eerste plaats moet hier het volgende gesteld worden: de antroposofische geneeskunde verstaat zichzelf niet als een 'alternatieve' geneeskunde, maar als een complementaire, zichtverruimende wetenschap die naast de reguliere diagnostische en therapeutische technieken verdere mogelijkheden opent. Ze is sinds haar ontstaan in feite de eerste vorm van 'integratieve' geneeskunde.

Organisatorisch gezien kan de antroposofische geneeskunde op elke lijn beoefend worden: zowel in de huisartsengeneeskunde als door specialisten en in ziekenhuizen. De antroposofische geneeskunde wordt trouwens uitsluitend beoefend door artsen; de antroposofische therapieën worden enkel toegepast op voorschrift en onder supervisie van artsen. Wat de tweede lijn betreft: Duitsland bijvoorbeeld telt een twaalftal erkende antroposofische ziekenhuizen, twee ervan (>300 resp. >550 bedden) zijn officieel streekziekenhuis, en het ziekenhuis van Herdecke (Ruhrgebied) functioneert als academisch ziekenhuis van de universiteit van Witten-Herdecke.

Op therapeutisch gebied maakt de antroposofische geneeskunde, naast de reguliere geneesmiddelen en technieken, gebruik van:

1.  Minerale, fytotherapeutische en homeopathische geneesmiddelen. In de antroposofische visie werken deze geneesmiddelen, via de hoger genoemde 'wezensdelen' (zie: vierledig mensbeeld), in op de levensprocessen van het menselijke organisme.

Een aantal van deze geneesmiddelen zijn specifiek vanuit antroposofische gezichtspunten ontwikkeld, en daarom binnen de klassieke fytotherapie of homeopathie onbekend (hoewel ze in meerdere landen door steeds meer niet-antroposofische artsen gekend en voorgeschreven worden).

2. Ritmische massage: een massagevorm die niet zozeer het fysieke lichaam dan wel de andere wezensdelen 'aanspreekt'.

3. Kunstzinnige therapieën: schildertherapie, boetseren, muziektherapie, euritmietherapie, spreektherapie. Al deze therapieën werden sinds de jaren 1920 ontwikkeld, en verschillen van elders gangbare gelijkaardige therapieën door hun typisch antroposofisch concept.

4. Psychotherapie en biografische begeleiding.

5. Tenslotte kan elk arts ook niet-typisch-antroposofische therapieën voorstellen, voor zover hij die vanuit zijn eigen moreel aanvoelen verantwoord acht in de concrete situatie van de patiënt .

Een paar voorbeelden

a/ De klassieke migraine kan opgevat worden als een 'opstoten' van de stofwisselingspool tot in de koppool: een verstoring van het evenwicht in de drieledigheid. Daarbij is het vooral het levenslichaam dat te krachtig werkt, en het zielelichaam dat de externe omstandigheden (stress, overmatige zintuigprikkeling) niet aankan; de Ik-organisatie is te zwak om het geheel in evenwicht te houden.

Therapeutisch wordt vooreerst deze Ik-organisatie ondersteund door een mineraal preparaat bestaande uit kwarts, ijzer en zwavel; deze drie mineralen helpen elk op zich de werking van de Ik-organisatie in één van de drie geledingen van het lichaam (kwarts: koppool; ijzer: middengebied; zwavel: stofwisseling).

Daarnaast worden eventuele orgaanzwaktes gecorrigeerd door orgaantypische geneesmiddelen (vb: Taraxacum voor de leverfunctie), door dieetmaatregelen en door het begeleiden van de patiënt bij het heroriënteren van zijn levensritme (dag/nacht); werk/rust; enz.). Hierbij kan kunstzinnige therapie de patiënt helpen om vanuit zijn eigen activiteit meer greep te krijgen op zijn leven en zijn lichaam.

b/ Hypotensie heeft vaak te maken met een te zwak 'ingrijpen' van het zielelichaam in de nierenwerking. Een geneesmiddel op basis van brandnetel en ijzer helpt zeer goed de klachten weg te werken, ook al zullen de gemeten bloeddrukwaarden meestal niet stijgen.

Het preparaat wordt als volgt ontwikkeld: Een teeltbed brandnetel wordt gekweekt onder toevoeging van een ijzerzoutoplossing; de plant wordt geoogst en gecomposteerd, en deze compost wordt het volgende jaar aan een vers bed brandnetel als bemesting toegevoegd. Dit wordt opnieuw geoogst en de compost ervan wordt het volgende jaar aan een derde bed brandnetels toegevoegd. Dit derde deel tenslotte wordt als basis voor de bereiding van het uiteindelijke geneesmiddel gebruikt. Op deze manier heeft de plant zelf de energetische werking van het ijzer 'gepotentieerd' en in zich opgenomen. Deze techniek betekent een uitbreiding van wat bij de bereiding van de klassieke homeopathische middelen door verdunnen en schudden met de hand gebeurt.

De ratio achter deze voorbeelden kan in dit bestek niet verder beschreven worden, maar is vanuit antroposofische gezichtspunten wel degelijk aanwezig.

DE TOEKOMST VAN DE GENEESKUNDE

De reguliere geneeskunde heeft moeite met het ernstig nemen van de geestelijke entelechie van de mens. Om historische redenen heeft zij zichzelf steeds meer beperkt tot het bestuderen van de fysieke mens. In onze westerse maatschappij is het niet anders: onze cultuur is gericht op consumptie en bevrediging van fysieke behoeften. Zij wordt daarin gedirigeerd door ondoorzichtige financiële en politieke machten, in een politiek systeem dat al lang geen democratie meer is en langzaam maar zeker afglijdt naar een technocratie. In de manier waarop de overheid en de drukkingsgroepen bijvoorbeeld de complementaire geneeswijzen aanpakken, komt dit tot uitdrukking. De fundamentele grond hiervan ligt in de bewuste keuze die de wetenschap gedurende de laatste vier tot vijf eeuwen gemaakt heeft: de keuze voor het materialistisch reductionisme, en het ontkennen van de mens als geestelijk wezen dat op aarde een zinvol leven leidt. Welke ideologische (katholiek, humanistisch, ...) bovenbouw de wetenschap aan onze universiteiten ook ontwikkelt, hij mist elke grondslag zolang diezelfde wetenschap blijft uitgaan van het paradigma dat de stof de geest produceert.

Alleen een hernieuwde reflectie op het wezen van de individuele mens kan hem in zijn waarde herstellen, en daarmee ook de organisatie en beoefening van de geneeskunde aan de waardigheid van de mens aanpassen. Het denken van Rudolf Steiner kan hiertoe een wezenlijke bijdrage leveren.


(1) Bernard Lievegoed: De levensloop van de mens; Lemniscaat, 1976

(2) Nederlandse Vereniging van Antroposofische Artsen: Opleiding Antroposofische Geneeskunde, 1995.

(3)  Willem F. Veltman: Antroposofie, de weg van het Ik; Zeist, 1991.

(4)  Willem F. Veltman: Rudolf Steiner, een biografie; Zeist, 1980.

(5)  Rudolf Steiner:

  • Grondslagen voor een verruiming van de geneeskunde;
  • De Filosofie van de Vrijheid;
  • Waarnemen en denken;
  • Waarheid en wetenschap;

(6)  Rudolf Steiner en Ita Wegman: Grondslagen voor een verruiming van de geneeskunde; Zeist.

(7)  Victor Bott: Antroposofische geneeskunde; Zeist; vertaling van Médecine anthroposophique, Editions Triades, Paris.

(8)  Helmut Kiene:

  • Grundlagen einer essentialen Wissenschaftstheorie; Stuttgart, 1984.
  • Komplementarmedizin-Schulmedizin, 1994.

(9)  Udo Fiebig: Freiheit für Patient und Arzt als Postulat der Menschenwurde; Stutt-gart, 1985.

(10) Frits Wilmar: Menswording vóór de geboorte, een spirituele embryologie; Zeist, 1982.

(11)  Friedrich A. Kipp: Die Evolution des Menschen im Hinblick auf seine lange Jugendzeit; Stuttgart 1980. Erich Blechschmidt: Wie beginnt das menschliche Leben? Stein am Rhein, 1976.

 

p4142078-b-768-x-237

"Het rijk van de geest is niet gesloten" - Uit 'Faust', Goethe.